Alle Dordtse brieven van Vincent van Gogh

in geel passages waarin Dordrecht een rol speelt.


83

Etten 31 December 1876

Waarde Theo,

Van harte alles goeds in het nieuwe jaar u toegewenscht, heb het goed en heb zegen in alle opzichten. Heerlijk wij elkaar weer gezien hebben, wat was het mooi dien morgen, toen gij zijt weggegaan en wat zullen wij nog dikwijls aan de reis naar Chaam denken.
Pa heeft weer zoo heel mooi gepreekt van morgen! En nu van avond weer Oudejaarsavond, waart gij ook maar hier.
Er is nog iets nu, dat ik U moet vertellen; een paar dagen geleden kwam de Heer Braat (*) uit Dordt een bezoek brengen bij Oom Vincent en zij spraken over mij en oom vroeg aan den Heer Br. of er bij hem, indien ik dit verlangde, voor mij plaats zou zijn. De Hr. Br. dacht dat hij wel plaats zou hebben en zeide dat ik maar eens moest komen om er over te spreken. Dus ben ik gisteren morgen vroeg er heen geweest, ik vond het iets dat ik niet moet laten voorbij gaan, zonder te zien wat het was. Sprak met hem af ik na Nieuwjaar eene week bij hem zou komen en na verloop van dien tijd kunnen wij zien
.
Er zijn veel dingen die het wenschelijk maken, het weer terug zijn in Holland, in de buurt van Pa en Moe en ook van U en de anderen vooreerst. Dan zou het salaris daar zeker iets beter zijn dan bij Mr. Jones en vooral met het oog op later, wanneer een mensch meer noodig krijgt, is het plicht daaraan te denken. Wat nu het andere betreft, dat laat ik daarom niet varen. Pa's geest is zoo groot en zoo veelzijdig uitgebreid, en onder alle omstandigheden hoop ik zich iets daarvan in mij zal ontwikkelen. De verandering nu zal zijn dat ik in plaats van les te geven aan die jongens, in een boekhandel werkzaam ben.
Wat hebben wij dikwijls verlangd bij elkaar te zijn, en hoe vreeselijk is het gevoel van ver van elkaar te zijn bij ziekte of zorg, gelijk wij het b.v. voelden bij Uw ziekte, en dan het gevoel dat gebrek aan het noodige geld zeer goed een beletsel zou kunnen zijn om in nood bij elkaar te zijn. Dus is het best mogelijk ik daarheen ga.
Gisterenavond was ik nog bij Oom Vincent om hem te vertellen dat ik dadelijk naar Dordt was geweest,
het was een stormachtige avond, gij kunt U denken hoe mooi die weg naar Prinsenhage was, met de donkere wolken met hun zilveren randen. Ik ging ook nog even in de Roomsche kerk, waar avonddienst was, het was een mooi gezicht, al die boeren en de boerinnen met hun zwarte kleeren en witte mutsen, en de kerk zag er zoo vriendelijk uit bij het avondlicht. Gij moet het maar dadelijk aan den Hr. Tersteeg ook zeggen, ik 8 dagen daarheen ga om daarna verder te zien, - wensch hem en mevrouw veel goeds toe voor mij in het nieuwe jaar. Schrijf U zeer in haast, A. en de meisjes' gingen naar Prinsenhage en Pa wilde ik maar met hen zou medegaan. Tante kwam met hen in het rijtuig terug en ik wandelde met Willem Carbentus. Nu jongen, beste broer, wat waren het goede dagen toen wij allen samen waren, heb een goeden oudejaarsavond en geloof mij
Uw liefh. broer Vincent.
Spoedig wel meer - a Dieu, mocht gij schrijven adresseer dan uw brief naar Dordt.


* Hoofd van boekhandel Blusse & v. Braam in Dordrecht
84

Dordrecht 21 Januari 1877

Waarde Theo,

Reeds eerder zult gij een brief verwacht hebben; in den winkel gaat het nogal en is het druk, zoodat ik er 's morgens 8 uur heen en 's avonds 1 uur vandaan ga, maar daar ben ik wel blij om. 11 Februari hoop ik eens naar Etten te gaan, zooals gij weet wordt dan Pa's verjaardag gevierd, zoudt gij dan soms ook komen? Hoop Pa te geven Eliot "novellen" als wij samen wat gaven, zouden wij er Adam Bede kunnen bij geven.
Schreef verleden Zondag aan Mr. Jones en zijne vrouw dat ik niet weer terugkwam, en onwillekeurig werd die brief nogal lang - uit den overvloed des harten -, wenschte wel zij in het hunne een gedachte aan mij bewaarden en vroeg hen "to wrap my recollection in the cloak of charity".
De twee prenten Christus Consolator, die ik van U kreeg hangen op mijn kamertje - zag de schilderijen op het museum, en ook van Scheffer: Christus in Ghetsemane, dat is om nooit te vergeten, dan is er nog een schets van "Les douleurs de la terre" en verscheidene teekeningen en ook het portret van zijn atelier, en zooals ge weet het portret van zijn moeder. Er zijn nog andere mooie schilderijen ook; b.v. Achenbach en Schelfhout en Koekkoek en o.a. ook een mooie Allebe, een oud man bij de kachel. Bekijken wij ze den een of anderen dag nog, eens samen?
Den eersten Zondag dat ik hier was, hoorde ik preeken over: "Zie ik maak alle dingen nieuw", en 's avonds: "Nu zien wij door een spiegel in eene duistere rede, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht." Dezen morgen was ik bij Ds. Beversen (*) in een oud klein kerkje, er was Avondmaal en zijn tekst was: "Zoo wie dorst, die kome tot mij en drinke."
Het raam van mijn kamer ziet uit op tuinen met mast en populieren, enz. en den achterkant van oude huizen, o.a. een groot met klimop begroeid. "A strange old plant is the ivygreen" zei Dickens. - Er kan zoo iets ernstigs en min of meer sombers in dat gezicht zijn, en gij moest het zien met de morgenzon er op. Als ik het aanzie, denk ik wel eens aan een brief van U, waarin gij spreekt van zoo'n huis met klimop begroeid, herinnert gij U dien nog?
Als ge het betalen kunt - als ik het kan, doe ik het ook - teeken dan in op de Katholieke Illustratie van dit jaar, daar zijn de prenten uit Londen van Doré in - de werven aan de Theems, Westminster, Whitechapel, de underground railway, enz. enz. Bij de menschen waar ik woon, woont ook nog een schoolmeester. (**) Verleden Zondag en ook heden deden wij eene mooie wandeling langs de grachten en ook buiten de stad aan den kant van de Merwe, kwamen ook langs die plek waar gij hebt gewacht op de boot.
Toen dezen avond de zon onderging en weerkaatste in het water in de ramen en een sterken gouden gloed wierp op alles, was juist als een schilderij van Cuyp.
Schrijf weer spoedig eens als gij tijd hebt, ik zal nog al wat moeten boekhouden voorloopig en zal het wel druk houden. Groet allen bij Roos en ontvang een handdruk in gedachten van
Uw liefh. broer Vincent.

* Johannes Wilhelmus Beversen (15/2/1834 Amsterdam - 11/1897 Dordrecht. Werd op 23 november 1862 predikant in de Lutherse Kerk in Dordrecht op. Kwam uit Kampen.
* ** Gorlitz
85
Waarde Theo,

Adam Bede kost f 2.60, dus ontvangt gij hierbij terug f 1.40. Nu hoop ik maar zij er thuis genot van zullen hebben, en dat zal wel. Dank voor Uw brief, waar ik zoo blij mee was; als wij elkaar nu weer eens ontmoeten zullen wij elkaar eens ferm in de oogen kijken, het is mij soms zulk een heerlijke gedachte wij weer denzelfden grond onder de voeten hebben en dezelfde taal spreken.
Verleden week hebben wij hier eene overstrooming gehad. 's Avonds tusschen 12 en 1 van den winkel komende, wandelde ik de Groote kerk nog eens om, het stormde toen in de iepeboomen, die daar staan, en de maan scheen door de regenwolken en weerkaatste in de grachten, die reeds boordevol waren. 's Nachts 3 uur waren wij bij Rijken, een grutter waar ik in huis lig, allen in de weer om de dingen uit den winkel naar boven te brengen, want het water kwam al een el hoog in huis. Er was niet weinig leven en rumoer, en in alle benedenkamers waren de menschen bezig om naar boven te brengen wat zij konden, en een bootje kwam de straat opvaren.
's Morgens toen het wat licht begon te worden, zag men een groep mannen aan het eind van het straatje, die den een na den ander naar hunne pakhuizen waadden. Er is veel schade, ook in de plaats waar de Heer Braat zijn papier, enz. bewaart, is water gekomen, niet door de overstrooming maar door de groote drukking van onder uit den grond.
De Heer Braat zegt het hem een bankje van het grootste soort kost. Wij zijn anderhalven dag bezig geweest, om alles over te brengen naar een bovenhuis. - Zoo eens een dag met de handen werken is wel eene aangename afwisseling, 't was maar jammer dat het om die reden was. - Gij hadt dien avond de zon moeten zien ondergaan, de straten schenen van goud, zooals Cuyp dat wel schilderde. Verlang naar mijn koffer die onderweg is, ook om weer wat prenten op mijn kamer te hebben. Heb er nu hangen Christus Consolator, die ik van U heb en twee Engelsche houtsneden, n.l. de Emmausgangers.

Er kan een tijd zijn in het leven, waarin men als het ware van alles vermoeid is en een gevoel heeft als of al wat men doet verkeerd is, en daar is ook wel wat van aan - zou dit een gevoel zijn dat men ontwijken en verdringen moet, of wel zou het zijn "de droefheid naar God, die men niet moet vreezen, maar waarop men moet letten of zij misschien ons ten goede zou kunnen dringen, - zou het misschien zijn "de droefheid naar God, die werkt eene onberouwelijke keuze"? ...
Verleden Zondagmorgen was ik in de Fransche kerk hier, die is zeer ernstig en deftig en heeft iets zeer aantrekkelijks, de tekst was:
"Houdt wat gij hebt, opdat niemand Uwe kroon neme."
Het slot van de preek was: Zoo ik u vergete, o Jeruzalem, zoo vergete mijn rechterhand zichzelve.
Na de kerk deed ik eene mooie wandeling alleen, op een dijk langs de molens, het was een schitterende lucht boven de weilanden, die weerkaatste in de slooten.

Er zijn in andere landen wel eigenaardige dingen, b.v. de Fransche kust die ik zag bij Dieppe - de falaises met het groene gras er op - de zee en lucht, de haven met de oude booten zooals Daubigny ze schildert, met bruine netten en zeilen, de kleine huisjes, waaronder een paar restauraties met witte gordijntjes en groene mastentakken in het raam - de karren met witte paarden, met blauwe groote halsters en roode kwasten opgetuigd, de voerlui met hunne blauwe kielen, de visschers met hunne baarden en geoliede kleeren, en de Fransche vrouwen met bleek gezicht, donkere dikwijls wat diepliggende oogen, zwarte japon en witte muts, en b.v. de Londensche straten in den regen met de lantaarns, en een nacht daar doorgebracht op den stoep van een oud grijs kerkje, gelijk het mij dezen zomer, na dien tocht van Ramsgate overkwam -
er zijn in andere landen ook wel eigenaardige dingen - maar toen ik verleden Zondag alleen wandelde op dien dijk, toen dacht ik zoo hoe goed die Hollandsche grond was, en ik voelde iets van "heden is het in mijn hart om een verbond te maken met mijn God", want de herinnering aan vroeger kwam bij mij op, o.a. hoe dikwijls hebben wij zoo in de laatste dagen van Februari met Pa gewandeld naar Rijsbergen, enz.
en de leeuwrik gehoord boven de zwarte akkers met het jonge groene koren, de tintelende blauwe lucht met de witte wolken er boven - en dan de steenweg met de beukeboomen - o Jeruzalem, Jeruzalem! of liever o Zundert, o Zundert! Wie weet, of wij van den zomer nog niet eens samen aan de zee wandelen. Wij moeten toch maar goede vrienden blijven Theo, en maar gelooven in God, en vertrouwen met een oud vertrouwen op Hem, die kan doen boven bidden en boven denken. Van harte gelukgewenscht met den dag van heden (*) het is reeds half 2 en dus reeds 8 Februari, God spare onzen Vader nog lang voor ons.
Pa schreef hij al spreeuwen had gezien, weet gij nog hoe die te Zundert op de kerk konden zitten? Hier heb ik er nog geen opgemerkt, maar wel veel kraaien 's morgens op de Groote kerk. Nu wordt het weer haast lente en komen ook de leeuweriken weer.
Houd U maar goed, groet allen bij Roos en vooral ook den Hr. Tersteeg en Mevr. en ontvang in gedachten een handdruk, en geloof mij
Uw zoo liefh. broer Vincent.

Zeg aan den Hr. T. hij het niet kwalijk moet nemen de teekenvoorbeelden zoo lang wegblijven, 't is voor de H. B. School, er worden er reeds 30 gebonden, maar ook wil men er nog voor de B. avondschool uitzoeken en moet ze om die reden nog een dag of 8 houden, zoodra mogelijk ontvangt gij ze terug.

*) Hun vader's verjaardag.
86

Dordrecht 26 Februari 1877

Waarde Theo,

De uren, die wij samen waren zijn spoedig om geweest, dat wegje achter het station waar wij de zon zagen ondergaan over de velden, en de avondlucht spiegelen in de slooten, en waar die oude met mos begroeide boomstammen staan, en het molentje in de verte, daar zal ik nog wel eens wandelen met de gedachte aan U.

Hierbij die photographie "The Huguenot", hang die op Uw kamertje. De geschiedenis kent gij, hoe een jong man op den dag die den St. Bartholomeusnacht voorafging, door zijn meisje, dat wist wat er des nachts gebeuren zou, werd gewaarschuwd, - hoe zij hem het teeken waaraan de Katholieken zouden te her kennen zijn, een witten band om den arm, wilde doen dragen. Dat wilde hij echter niet doen, zijn Geloof en zijn Plicht waren hem liever dan zijn meisje.
Weet niet of ik U reeds vroeger dat gedicht van Longfellow *) zond, dat ik hierbij overschrijf, het heeft mij dikwijls zeer aangetrokken en zal het U misschien ook doen. -
Ben blij dat wij nog samen de schilderijen van Scheffer hebben gezien, 's avonds ben ik naar Mager **) toe geweest, die bij den voorlezer van de Luthersche kerk woont in een echt oud-Hollandsch huis. Hij heeft daar een aardige kamer, wij zaten nog een heelen tijd samen te praten, hij vertelde van Menton en van een Kerstfeest, dat hij daar had bijgewoond. Dank er voor dat gij gisteren naar hier kwaamt, en laten wij maar zoo min mogelijk geheimen voor elkaar blijven hebben. Daar zijn wij broeders voor.

Heb vandaag nogal druk werk gehad met een menigte kleinigheden - maar die hooren tot den plicht; als men geen gevoel van plicht had, wie zou dan zijn gedachten ook maar eenigszins bij elkaar kunnen houden, door het gevoel van plicht worden alle dingen geheiligd en aaneengeschakeld, en maken veel kleinen een groot. Schrijf eens spoedig hoe gij zijt thuis gekomen en of het wandelen en de reis U niet opgebroken is. Ben verlangend naar een brief van U, ook om te hooren of gij naar Etten gaat. Ontvang in gedachten een handdruk en geloof mij
Uw liefh. broer Vincent.

Het is misschien wel een tijd voor U, waarin men behoefte heeft aan ,,een psalmtoon van 't verleden en een klachte van het kruis." "En zie ik meende in stillen nacht, Zijn stem te hooren, zoo teer, zoo zacht."

*) The light of stars.
**) Nico Mager, destijds ook employe in den boekhandel van Blusse & v. Braam.
87

Dordrecht 28 Februari 1877

Waarde Theo,

Schrijf weer eens spoedig als gij een oogenblikje kunt vinden, houd U ferm en wees sterk. Schreef gisterennacht iets voor ons, dat ik hierbij stuur, lees het maar eens.*)
Gisterennacht kwam ik om 1 uur van het kantoor en wandelde de Groote Kerk nog eens om en toen de grachten langs en voorbij die oude poort naar de Nieuwe kerk en toen naar huis. Het had gesneeuwd, en het was alles zoo stil, alleen zag men nog een lichtje hier en daar in een of andere bovenkamer, en in de sneeuw het zwarte figuur van den klapperman. Het was hoog water, en door de sneeuw schenen de grachten en de schepen donker. Het kan daar zoo mooi zijn bij die kerken. De lucht was grijs en nevelachtig en de maan scheen er flauw doorheen.
Dacht aan U toen ik zoo liep en thuiskomende schreef ik wat ik u zend. Gij hebt immers een de Genestet? Lees daar maar veel in. Pa zond mij eens toen ik te Parijs was: "Toen ik een knaap was" en "Daar is geen priester, die Hem verklaart." Schrijf U in haast tusschen mijn werk in, a Dieu een hartelijken handdruk in gedachten.
Uw zoo liefhebbende broeder Vincent.

* Eenige psalmen en godsdienstige versjes.
*
87a

Dordrecht, 8 Maart 1877

Waarde Oom,

Toen Pa onlangs hier was deeelde hij mij mede dat U gevraagd had of Theo en ik eens een dag bij U zouden kunnen komen. Niet weinig verlang ik er naar om U en Tante eens weder te zien en te spreken en wilde U daarom vragen of het U zou gelegen komen als Theo en ik aanst. Zondag met den eersten trein uit 's Hage gingen om tot 's middags of 's avonds bij U te blijven. Theo moet spoedig op reis en als wij het nu niet doen komt er misschien in lang niet van.
Het was een heerlijke dag laatst toen Pa hier was wij hebben zamen gewandeld en zijn nog op het museum geweest om de schilderijen van Scheffer te zien. Het gaat mij hier goed, er is in 't begin van het jaar veel werk aan den winkel zoodat ik er 's avonds tot 12 of 1 uur ben.

Het is mij goed weer in Holland te zijn, alleen was het werk ginder met al de moeite en innige teleurstelling er aan verbonden mij lief en is dat nog - en ben ik door de teleurstelling en voor ditmaal betrekkelijke mislukking er innig aan verbonden.
Het is heerlijk dat Anna ook weer dadelijk eene betrekking heeft gevonden, ik hoop maar, zij het er goed zal hebben. In geval U goed vindt dat Theo en ik aanst. Zondag komen schrijf dan s.v.p. nog aan een van ons een briefkaart en geloof mij intusschen na hartelijke groeten aan U en Tante.
Uw liefh. neef, Vincent

Reeds vroeger zou ik U hierover hebben geschreven indien niet Pa gisteren mij eerst gevraagd had aanst. Zondag te gaan.
88

Dordrecht 16 Maart 1877

Waarde Theo,

Dank voor Uw brief, en wil zorgen dat gij te Amsterdam een woordje ontvangt. Zondag hoop ik, zien wij elkaar, en zal het ons wel goed zijn weer samen te zijn.
Wees hartelijk gefeliciteerd met den verjaardag van Willemien - wat is zij een aardig meiske geworden. Van thuis krijgt zij "De wijde, wijde wereld" en van mij "Het Kerstfeest aan de Pool" van Bungener.
Ik ben blij voor U dat gij zoo spoedig op reis zijt gegaan, dat is een goede afwisseling.
"Ik ben zoo bedroefd en zoo alleen", zegt gij. "En nochtans ben ik niet alleen, want de Vader is met mij."
Aan alle plaatsen en in alle omstandigheden de gedachte aan Christus vast te houden, dat is een goede zaak. Wat hebben de boeren in Brabant een moeilijk leven, Aerssen*) bijvoorbeeld; van waar hunne kracht? En die arme vrouwen, wat is de steun van hun leven? Zou het niet zijn wat de schilder schilderde in zijn "Light of the world?"
Ik kan U niet zeggen hoe ik soms verlang naar den Bijbel, wel lees ik daar dagelijks iets in, maar ik zou dien zoo gaarne in het hoofd hebben en het leven zien bij het licht van dat woord, waarvan staat "Uw woord is een licht op mijn pad en een lamp voor mijnen voet."
Ik geloof en vertrouw dat mijn leven nog zal gewijzigd worden en dat verlangen naar Hem zal worden bevredigd, ook ik ben wel eens bedroefd en alleen, vooral wanneer ik om eene kerk of eene pastorie wandel.
Laat ons het maar niet opgeven en maar zoeken naar zachtmoedigheid en langmoedigheid.
En wees maar eigenaardig en scheid U af, maak scheiding tusschen goed en kwaad, al toont gij dat niet, doe dat voor U zelven.
"Ga niet uit het leven zonder Uw liefde voor Christus op de eene of andere wijze openlijk aan den dag gelegd ^e hebben", zegt Claudius.
Gij hebt eene ondervinding gehad, die U kan wijs maken voor een leven lang, houd maar wat gij hebt.
"Nourris-moi du pain de mes larmes, verite enseignez-moi." Haat de zonde, herinnert ge U hoe Pa elken morgen bad: "Bewaar ons voor alle kwaad, vooral voor het kwaad der zonde", en hij weet het wel.
Ik verlang naar Zondag, hoop gij eene goede reis zult hebben, werken is altijd eene heerlijke zaak en there is something good in all labour.
Ben nog steeds tot 's avonds laat bezig, maar ben wel blij het zoo is.
Er zijn reeds ooievaars hier, maar leeuwriken heb ik nog niet gehoord. De lucht is dikwijls stormachtig en dan ziet men zwermen kraaien en spreeuwen.
De photographie, Mater Dolorosa, die gij hebt gezonden, hangt op mijn kamer, wat is die toch mooi, weet gij nog hoe die ook op Pa's studeerkamer te Zundert reeds hing?
Nu Theo heb het zoo goed mogelijk, wij zien elkaar spoedig, ben verlangend om die platen te zien waarvan gij schrijft, ontvang een handdruk in gedachten, tot Zondag. a Dieu en geloof mij
Uw liefh. broer Vincent.

*) Boerenarbeider, die in den pastorietuin werkte te Zundert.
89

Dordrecht 22 Maart 1877

Waarde Theo,

Wil zorgen gij op Uw reis nog een brief ontvangt, wat hadden wij een goeden dag samen in Amsterdam, 'k bleef den trein waarmede gij zijt vertrokken, nog nakijken zoolang die in het gezicht was, wij zijn toch al zulke oude vrienden, wat hebben wij al lang samen gewandeld, van af de zwarte akkers met het jonge groene koren te Zundert, waar wij om dezen tijd van 't jaar met Pa den leeuwrik hoorden.
's Morgens ben ik met Oom Cor naar Oom Stricker gegaan en heb daar een lang gesprek gehad over het U bekende onderwerp, 's avonds half 7 bracht oom C. mij naar het station, het was een mooie avond en in alles was zooveel dat scheen te spreken, het weer was stil en er was een weinig damp in de straten, zooals dat te Londen meestal het geval is. Wij gingen nog naar de bloemmarkt ook, het is wel goed om van bloemen te houden en van mastegroen en klimop en heggen van meidoorn, die zijn van 't begin af voor onze oogen geweest. Schreef nog naar huis, hoe wij het te Amsterdam gehad hadden en wat wij bespraken. Hier komende vond ik bij Rijken een brief van huis. Pa mocht l.l. Zondag niet preeken en Ds. Kam nam de beurt voor hem waar; ik weet zijn hart brandende in hem is, of er ook iets mocht gebeuren zoodat ik mij niet bijna, maar ook geheel er aan kon overgeven hem te volgen, altijd heeft Pa er mij op aangezien, och! mocht het tot stand komen en er zegen op rusten. Schrijf zoo maar eens met U over wat ik van plan ben, zoodoende wordt mijn gedachte nog duidelijk en bevestigd. Vooreerst denk ik aan het woord "het is mijn deel om Uw woord te bewaren," heb zulk een begeerte mij eigen te maken den schat van het woord van den Bijbel, al die oude verhalen grondig en met liefde te kennen, vooral te kennen wat wij weten van Christus. Er is in onze familie, die wel een Christenfamilie is in den vollen zin van het woord, altijd zoover men zien kan, van geslacht tot geslacht iemand geweest die Evangeliedienaar was. Waarom zou die stem ook nog niet in dit en in volgende geslachten worden gehoord? Waarom zou niet ook nu een lid van die familie zich tot die bediening geroepen gevoelen, en met eenigen grond mogen meenen hij zich mag en moet verklaren, en zoeken naar de middelen om tot dat doel te geraken. Het is mijn bede en innig verlangen dat die geest van mijn vader en grootvader ook op mij moge rusten en het mij moge gegeven worden, te zijn een Christen en een Christenwerkman, dat mijn leven moge gelijken hoe meer hoe liever, - want zie die oude wijn is goed en ik begeer geen nieuwe, - op dat van hen, die ik daar noem. Theo jongen, broer dien ik liefheb, ik heb zoo'n groot verlangen daar naar, maar hoe kom ik er nog! Zou zoo wenschen kunnen, ik dat veel en moeilijk werk om Evangeliedienaar te worden reeds achter mij had.
Heb het goed op uw reis, schrijf eens spoedig en ontvang een hartelijken handdruk in gedachten, a Dieu, en geloof mij steeds,

Uw liefh. broer Vincent.

Tracht met Paschen te Etten te zijn, als wij weer samen zijn zal het wel weer goed zijn.
90
Waarde Theo,

Dank voor Uw brief van gisteren, die ik een uurtje tijd hebbende, heden beantwoord.
Heb mij herinnerd, wij op 't museum van der Hoop zijnde spraken over het boekje van Burger, hierbij ontvangt gij het per post, gij zult er in vinden nog eene houtsnee naar Doré: Judith en Holophernes, en een naar Brion, voor uwe verzameling. Ga daar maar mede door, want die zult gij wel mooi krijgen door den tijd.
Neem mijn kleine bijdrage maar aan, het is mij zoo zeer behoefte om door kleinigheden in gemeenschap met u te blijven, als ik op mijn kamertje kom, word ik telkens aan u herinnerd door de platen aan den muur.
De liefde tusschen breeders is een krachtige steun in het leven, dat is een van ouds erkende waarheid, laat ons zoeken naar dien steun, laat levenservaring den band tusschen ons versterken, laat ons oprecht en openhartig blijven met elkaar, laten er geen geheimen zijn - zooals dat heden is.
Dank voor Uw laatsten brief. "Het is nog niet voorbij" zegt ge - neen dat kan het nog niet zijn. Uw hart zal behoefte hebben zich te vertrouwen en zich uit te storten - daar zal tweestrijd zijn in u - haar of mijn Vader - ik geloof dat onze Vader u meer liefheeft dan zij - dat Zijn liefde van grooter waarde is, het is fijn goud die woorden:

Het kind vertrouwt zich aan zijn Vader,
Dat is die Vader waard,
Uw Vader toch, wien hebt ge nader
In Hemel of op Aard.

Ga er nog maar eens heen als het U te moeilijk wordt. Deze week kreeg ik een brief van Oom Vincent, die schrijft hij het niet noodig oordeelt de correspondentie verder voort te zetten, dat hij in dit geval mij niet kan behulpzaam zijn. Ook kwam tegelijk een brief van den Heer Gladwell waarin hij schreef over Harry die heel wat zielsangst moet hebben uitgestaan en wien het vuur na aan de schenen moet zijn gelegd, om hem te doen handelen zooals hij gehandeld heeft.
Heden is de Heer Gorlitz te Etten om Pa te spreken over de vacante onderwijzersbetrekking aan de Leur. *) Van harte hoop ik hij die zal krijgen. Heden was het hier voor 't eerst vroegpreek, waar ik ben geweest, de preek was zeer mooi, over de verschijning van Jezus aan de discipelen aan de zee van Tiberias. Joh. 21. Hierbij eenige gedichten van Uhland, die mij troffen. Schrijft gij weer spoedig jongen, groet uwe huisgenooten hartelijk voor mij en ontvang in gedachten een handdruk van
Uw liefh. broer Vincent.
Bloemen uit Etten door Gorlitz meegebracht.

*) dorpje bij Etten
91

Etten 3 April 1877

Beste Theo,

Wil zorgen dat Gij weer spoedig een brief ontvangt, zooals gij ziet schrijf ik U weder uit Etten. Gisteren morgen ontving ik een brief van huis, waarin Pa schreef dat Aerssen stervende was en hoe Pa er nog eens geweest was, daar hij verlangde om Pa nog eens te zien en te spreken. Toen ik dat hoorde werd mijn hart zoo naar Zundert getrokken, dat ik behoefte had er ook eens heen te gaan.
Maar hierover later - daar juist las ik Uwen laatsten brief en zag daaruit Uwe reis volbragt is en Gij weer te 's Hage zijt, schrijf mij maar weer eens spoedig ook en laat ons maar digt bij elkaar blijven.
Heden een briefkaart van Anna, zij goed is aangekomen, moge het haar goed-gaan, is het U ook niet opgevallen, er in haar iets gekomen is dat doet denken aan de vrouwen die Jezus liefhadden waar de Bijbel van spreekt? En aan haar denkende komen mij ook telkens de woorden van Beranger in gedachten:

Dans les palais et sous le chaume,
Dit la vierge, j'ai de mes mains
Préparé le miel et le baume
Pour les souffranees des humains.

Wat is zij lief geweest ook in dat huisgezin te Welwyn en lief en leed met hen gedeeld, en niets achter gehouden van wat in haar was om hun tot hulp en troost te zijn ook in de.dagen toen dat kind daar ziek was en stierf; ik heb zoo gezien hoe allen daar van haar hielden. Van 't begin af aan heeft zij zich zoo aangegrepen en is 's winters vroeg opgestaan om me{ eigen handen het vuur aan te maken, al waren die eerste dagen niet gemakkelijk en schreef zij hoe zij dacht aan: Zonder U, o Eeuwig Wezen, ach wat was de mensch op aard, Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets meer op de aarde.' En hoe zij toen zoo verlangde naar het Avondmaal en daar heen ging en er door versterkt werd. En wat houden Pa en Moe van haar, en dat doen wij allen ook wel, ja.laat ons maar digt bij elkaar blijven.
Zaterdagavond vertrok ik met den laatsten trein uit Dordrecht naar Oudenbosch, en wandelde van daar naar Zundert. Daar in de hei was het zoo mooi, al was het donker kon men toch onder scheiden hoe die heivlakte en mastbosschen en moerassen zich heinde en ver uitstrekken, het deed mij denken aan die plaat van Bodmer, die op Pa's studeerkamer hangt. De lucht was grauw, maar de avondster scheen tusschen de wolken door, en nu en dan zag men ook andere sterren. Het was nog zeer vroeg toen ik te Zundert op het kerkhof kwam, waar het zoo stil was, ik ging nog eens zien naar al de oude plekken en paadjes en wachtte het opgaan van de zon af. Gij kent het verhaal van de Opstanding, alles herinnerde mij daar dezen morgen aan, op dat stille kerkhof.
Bij Aerssen en Mientje hoorde ik, zoodra zij op waren, hoe hun vader dien nacht was gestorven, o, zij waren zoo bedroefd en hun aller gemoed was zoo vol, want ook Hein kwam er reeds vroeg. Het was mij goed er te zijn en ik voelde met hen, want ik had den man ook zoo lief.
Gij moet de groeten hebben van de Tantes en ook van Jan Doome, waar ik ook nog was. Van daar wandelde ik met Hein naar Rijsbergen en was ongeveer een uur in het huis en wij lazen tezamen. Woutje Prins *) had ook 3 nachten bij den gestorvene gewaakt en tot het laatste toe hem bijgestaan. Zijn heengaan was zacht geweest.
Het zal mij onvergetelijk zijn, dat edele hoofd dat daar lag op het kussen, waarin men bij de teekenen van het lijden, eene uitdrukking van vrede en iets heiligs zag. O het was zoo schoon, ik zou zeggen het sprak van al het eigenaardige dat dit land heeft en het leven van dit Brabantsche volk. En zij waren allen zoo vol van Pa en wat hij altijd voor hen geweest was, en hoe die twee van elkaar hielden.
Toen ben ik met Hein Aerssen naar Etten gewandeld, en ben nu weer thuis om morgen vroeg te vertrekken. Dag jongen, het is posttijd, ontvang een handdruk in gedachten en geloof mij, na groeten aan uw huisgenooten,
Uw zoo liefh. broer Vincent.

*) Hun oude kindermeid te Zundert.


91A
Op de achterkant van Vincent's vorige brief schrijft zijn vader: BesteTheo!
Gij hebt braaf gedaan ons te schrijven. Houd U maar goed, mijn beste vent en stel maar belang in het leven, ook om onzentwil. O, we kunnen net elkaar zoo goed maken, is dat al een groot doel van het leven?
Theo, wat zegt gij er wel van dat Vincent ons weer verraste? hij moet toch voorzichtig zijn. De sleutel was van het kerkhof, dank er voor.
Hartelijk gegroet van Moe en van alien. Morgen moet Lies vertrekken.
steeds Uw liefh. vader T. v. G.
92

16 April 1877

Beste Theo,
Dank voor Uw brief, wees sterk en Hij zal Uw hart versterken. Vandaag ontving ik een langen brief van huis, waarin Pa mij vroeg of wij beiden het zouden kunnen schikken om Zondag aan staande naar Amsterdam, naar Oom Cor te gaan. Vindt gij het goed, dan kom ik dus Zaterdagavond met den trein die 11 uur te 's Hage komt bij U, en gaan wij 's morgens met den eersten trein naar Amsterdam, tot 's avonds.
Wij moesten dat maar doen, Pa schijnt er zeer op gesteld te zijn, dan zijn wij ook aanstaanden Zondag weer bij elkaar. Het kan immers wel ik dien nacht bij U blijf - anders ga ik in den Toelast. Schrijf me nog een briefkaart of ge het goed vindt, laat ons maar dicht bij elkaar blijven.
Het is reeds laat, dezen middag deed ik eens eene wandeling, omdat ik daar zoo behoefte aan gevoelde, eerst de Groote kerk toen de Nieuwe kerk, en toen den dijk op, waar al die molens, die men als men bij de spoor wandelt, ziet in de verte. Er is zoveel in dat eigenaardige landschap en omgeving dat spreekt, en dat schijnt te zeggen "houd goeden moed, vrees niet." O mocht mij een weg worden geopend om mijn leven meer dan nu het geval is, te wijden aan den dienst van God en van het Evangelie.
Ik blijf er om aandringen en ik geloof dat ik verhoord zal worden, ik zeg dit in alle nederigheid. Menschelijkerwijs gesproken, zou men zeggen het kan niet gebeuren, maar als ik er ernstige over nadenk en onder de oppervlakte van wat bij de menschen onmogelijk is, doordring, dan is mijn ziel stil tot God, want het is mogelijk bij Hem, die spreekt en het is er, die gebiedt en het staat er, en het staat vast.
O Theo, Theo, jongen als het mij eens gebeuren mocht, en die overvloed van neergedruktheid over allerlei wat ik ondernam en mij mislukte, die stroom van verwijten die ik heb gehoord en gevoeld, als het eens van mij mocht worden weggenomen, en mij mocht worden gegeven en de gelegenheid en de kracht, vereischt om tot ontwikkeling te komen en te volharden en staande te blijven in dat, waarvoor mijn vader en ik den Heer zoo innig zouden danken. Een handdruk in gedachten en groeten bij Roos, geloof mij
Uw zoo liefh. broeder Vincent.
93

Dordrecht 23 April 1877

Waarde Theo,
Uw brief van 21 April ontving ik, dank voor Uw spoedig schrijve. en die brief heeft mij een gevoel van vreugde gegeven, zooals de vrouw moet gehad hebben, die haar penning terugvond, n.l. gij schrijft dat het lessenaartje van tante Koos met de brieven van Pa en Moe, bij gelegenheid van het schoonmaken bij Roos is gevonden.
Wat heb ik er met angst en zorg verleden jaar naar gezocht, in de verbeelding zijnde ik het mede had genomen naar Engeland er dat het was blijven staan in een van de huizen, waar ik te Londen geweest ben. - Het is heerlijk dat het is terecht gekomen, ik ben er zoo dankbaar voor, bewaar het voorloopig nog maar; te Amsterdam, als ik "op weg" ben" *), zal ik het noodig hebben. Nu herinner ik mij zeer goed het bij Roos te hebben achtergelaten bij mijn vertrek naar Engeland, omdat er niet veel ruimte in mijn koffer was, en ook omdat ik meende het ginder veiliger zou zijn dan wanneer het mee ging trekken in den vreemde.
Het is mij als het ware een nieuw bewijs en een wenk, zooals ik er meer in den laatsten tijd meende op te merken, dat ik zal zegen hebben op mijn pogingen, dat het mij goed zal gaan, er. de zaak die ik zoo vurig begeer, mij zal gegeven worden; - er wordt iets van het oud vertrouwen in mij levendig dat mijn gedachten zullen bevestigd worden en een vaste geest vernieuwd, en de ziel hersteld in het oud geloof. Alleen, ik doe eene keuze voor mijn leven!
Zet ook gij uw hart en zin vast op iets goeds, op een goede zaak en begeer ze van den Heer.
Oom Jan is te Etten geweest en heeft gezegd dat mijn kamertje reeds gereed was - de heer Braat is met iemand in gesprek, dus in Mei zal ik waarschijnlijk de hand aan den ploeg slaan.
Op dat kamertje zullen de prenten die ik van U heb, hangen en zal ik daardoor dagelijks aan U herinnerd worden.

Onder dat naar Rosenthal dien monnik heb ik geschreven: ,,Neem mijn juk op U en leer van Mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart en gij zult rust vinden naar Uwe ziele, want mijn juk is zacht en mijn last is ligt. Zoo wie achter Mij wil komen die verloochene zich zelven en neme zijn kruis open volge Mij - in het koninkrijk der hemelen trouwen zij niet en worden niet ten huwelijk gegeven".
Onder de pendant: ,,L'imitation de Jesus Christ" schreef ik wat wij Pa hoorden zeggen: ,,Heer ik zou zoo graag ernstig zijn".
Dezen morgen hoorde ik een zeer mooie preek van Ds. Keller van Hoorn (*); dezen middag waren Gorlitz, Mager, ten Broek en ik op het Museum om de Scheffers te zien -, die zijn toch schoon. Schreef ik U reeds Gorlitz naar Etten is geweest om te solliciteeren naar de onderwijzersbetrekking die daar aan de Leur vacant is? -

Hij kwam terug, vervuld met alles wat hij daar had gezien; Pa had gepreekt over Jacob, die in het veld sliep te Bethel, en het had hem alles zoo getroffen. Ik zou hem gunnen dat hij die plaats kreeg, dan zou hij denkelijk spoedig trouwen.
Verleden weel had ik een brief van Harry Gladwell zelf; hij is daar in gevaarlijke omgeving - de vogelvangers zijn er velen en slim. Hoop spoedig iets naders te vernemen, en wij spreken er nog wel eens over.

Van Taine's leven weet ik weinig, ik veronderstel dat hij veel heeft gereisd in Frankrijk, Italie, Engeland en Holland ook, dat zou men uit zijn schriften opmaken. Hij is wel een artist. Het le boek van Burger: Musees, heb ik zelf nog.
Nu Theo, heb een goeden Zondag vandaag. Als ik naar Amsterdam ga, hoop ik U nog te zien.
Voor een "zaaier des woords" zooals ik hoop te worden, zal ook wel, evenals voor den zaaier van het koren op het veld iedere dag genoeg blijven hebben aan zijn eigen kwaad - en de aarde velerlei doornen en distelen voortbrengen - laat ons elkander maar tot steun blijven en naar broederliefde zoeken.
a Dieu, groet uw huisgenooten en ontvang een handdruk in
gedachten en geloof mij steeds

Uw liefh. broer Vincent.

Het regent hier vandaag en men zou zich kunnen verbeelden te Londen te zijn. Als ik dezen op de post breng, hoop ik dat paadje achter het station nog eens te gaan, waar wij samen wandelden.


*) Hij zinspeelt hier op het plan om te Amsterdam in de theologie te gaan studeeren.
*) Petrus Marinus Keller van Hoorn. Wordt op 12/2/1860 predikant in de Grote Kerk. Komt van Noordwijkerhout. Overlijdt op 2/2/1908
94

Dordrecht 30 April 1877

Waarde Theo, Wees van harte gelukgewenscht op dezen dag, vier dien nog dikwijls, heb morgen een goeden dag en vele goede dagen in het jaar dat gij begint. De tijd gaat spoedig om en de dagen vliegen vorbij - toch kan er iets achterblijven en is het verledene niet geheel verloren - wij kunnen rijker worden en vaster van geest, van karakter, van hart, wij kunnen rijker worden in God, wij kunnen rijker worden in het fijne goud van het leven, de liefde tot elkander en het gevoel "en nochtans ben ik niet alleen, want de Vader is met mij."
Spoedig hoop ik U te zien, want het is mijn plan om als ik naar Amsterdam ga, nog te 's Hage eenigen tijd stil te blijven, zeg dit echter maar aan niemand, want het is mij te doen om met u te zijn vooral. Woensdag aanstaande ga ik naar Etten om eenige dagen daar te blijven, en dan de hand aan den ploeg.
Gisteren had ik U wel hier willen hebben; des morgens hoorde ik in Het Fransche kerkje het afscheid van Ds. Hooyer (*), de kerk was vol, hij sprak met vuur en gevoel, het gezicht van die deftig-eigenaardige gemeente trof mij, er was veel ernstige stemming.
Hij dankte voor de liefde die hij van velen had ondervonden in moeilijke dagen vooral, toen in het begin, vier jaar geleden hij had te worstelen met de moeilijkheden van het spreken in de Fransche taal, want hij is een Hollander. Er waren verscheidene van de andere predikanten hier in de kerk. Toevallig sprak hij in zijne preek van gisteren over dezelfde woorden waarover hij die eerste keer sprak. Nu zien wij door een spiegel in eene duistere rede, nu ken ik ten deele, maar dan zal ik kennen gelijk ik ook gekend ben.
's Middags was ik bij Ds. Keller van Hoorn (**) in de Groote Kerk zijn tekst was "0nze Vader"; 's avonds bij Ds. Greeff (***), dien ook hoorde den eersten Zondagavond dat ik hier in Dordt was.

Na de kerk wandelde ik dien weg achter het station, waar wij ook samen waren, ging dien met de gedachte aan u en wenschende wij samen konden zijn, - en wandelde nog door tot het kerkhof aan het eind van een zwarten kolenweg door de weilanden, die er in de schemering zoo mooi uitzagen. Het kerkhof heeft wel iets van die teekening van Apol, die in "Eigen Haard" staat, er is een gracht omheen en er staat een huis op met mastboomen er om heen, waar gisteren avond het licht zoo vriendelijk door de vensters scheen, - het is een oud huis, dat er uitziet als een pastorie.

Er kan voor ons beiden nog veel goeds zijn in de toekomst, laat ons met Pa maar leeren nazeggen "ik wanhoop nooit" en Oom Jan "de duivel is nooit zoo zwart of men kan hem nog wel onder de oogen zien."
Schrijf weer eens spoedig, nu Woensdag ben ik dus te Etten. Hebt gij de Plancy: Légendes des artistes, met houtsneden naar Rochussen? Dat hoop ik U mede te brengen. Zoo tusschen de bedrijven in heb ik dezer dagen uit een catechisatieboekje van Oom Stricker de geheele geschiedenis van Christus nog eens doorgewerkt, en de teksten uitgeschreven; zoovele schilderije van Rembrandt en anderen kwamen mij daarbij in de gedachte -het is, geloof en vertrouw ik, eene onberouwelijke keuze, die ik heb gedaan om te trachten te worden: een Christen en een Christenwerkman. Ja, alle dingen uit het verleden kunnen medewerken ten goed; door de bekendheid met steden als Londen en Parijs en het leven in huizen als die school te Ramsgate en te Islewort wordt men sterker aangetrokken en gehecht aan vele dingen en boeken uit den Bijbel, als b.v. de Handelingen der Apostelen. De bekendheid met, en liefde voor het werk en leven van mannen als Jules Breton, Millet, Jacque, Rembrandt, Bosboom en zooveel anderen kan ook een bron worden om gedachten te krijgen. Wat is er veel overeenkomst tusschen het werk en leven van Pa en dat van zulke mannen; dat van Pa schat ik nog hooger.
God helpe ons jongen. Ontvang een handdruk in gedachten en nogmnaals hartelijk gelukgewenscht door
Uw liefh. broer Vincent
Groet uwe huisgenooten.

*) Jan Hendrik Hooyer (geb Bommel 1844). Komt in 1873 vanuit Schellinkhout naar Dordrecht. Vertrekt in 1877 naar Arnhem
***) Samuel Enssenius Greef. Wordt op 2/91866 predikant in de Grote Kerk. Komt van Koog aan de Zaan. Overlijdt op 14/3/1885


    (Vindents wens wordt nu vervuld - hij zal voor dominee gaan studeeren. Maar om aan de universiteit te worden toegelaten moet hij eerst staatsexamen afleggen, en daarvoor is nog een voorbereidende studie van minstens twee jaar nodig. De hele familie is geneigd Vincent bij zijn plannen behulpzaam te zijn. Hij kan inwonen bij oom Jan van Gogh, toen Directeur van de Marinewerf - die weduwnaar was en wiens kinderen alle volwassen en uit huis waren. Jan kon dus gemakkelijk zijn neef herbergen. Oom Stricker had toezicht op de studie en bezorgde hem de lessen van Mendes da Costa, een bekende leeraar in oude talen. Bij oom Cor in de kunsthandel in de Leidsestraat kon hij af en toe nog eens zijn hart ophalen aan het zien van schilderijen. Vincent begon vol goede moed. Maar hoe hij ook een jaar lang zijn best doet en zich aftobt over zijn thema's, het wordt hem eindelijk te zwaar. In de zomer van '78 geeft hij met toestemming van zijn ouders de studie te Amsterdam op en keert naar de pastorie te Etten terug.)
    100

    Amsterdam 4 Juni 1877

    Waarde Theo
    (fragment)
    Gij herinnert U dien avond te Dordrecht, toen wij samen door de stad wandelden om de Groote Kerk, en door allerlei straten en langs de grachten waarin de oude huizen en het licht van de vensters weerkaatsten ? Gij spraakt toen over een beschrijving van een dag in Londen door Theophile Gautier, de koetsier van een bruiloft, voor de deur eener kerk op een dag met mist en storm. Ik zag het alles voor mij,
    ...
    149

    Etten, half september 1881

    ...
    (fragment)
    Ik ben in den Haag geweest tot Donderdagmorgen. Toen ben ik nog naar Dordt gegaan, omdat ik in de spoor een plek gezien had, die ik eens teekenen wilde. Namelijk die rij molens. Hoewel het regende, heb ik het toch nog gedaan gekregen, en zoo heb ik althans nog een souvenir meegebracht van mijn uitstapje.


Vincent van Gogh op 19-jarige leeftijd. Toen hij in Dordrecht kwam wonen was Van Gogh 23 jaar oud. Op 30 maart 1877 werd hij 24 jaar.


Theo van Gogh (1 mei 1857 - 25 jan 1891), de broer aan wie Vincent de brieven schreef. De foto werd genomen toen Theo 32 jaar oud was, ongeveer in de tijd van de Dordtse brieven.


Vader Theodorus van Gogh (2 feb 1822 - 26 maart 1885), dominee.


Anna Cornelia van Gogh (10 sept 1819 - 1917), Vincents moeder. Zij overleefde alle drie haar zoons.


Vincent schilderde dit portret van zijn moeder met de vorige foto als voorbeeld. Hij had een hekel aan de zwartwit foto en probeerde in het schilderij kleur te brengen zoals hij zijn moeder herinnerde.


Vincent van Gogh op 13-jarige leeftijd


Broer Theo op 13-jarige leeftijd.


Cornelia Adriana Vos-Stricker (21 maart 1846 - 1918). Toen Vincent in 1881 in Etten woonde, werd hij verliefd op zijn nicht Cornelia Vos-Stricker (meestal Kee genoemd). Kee was pas weduwe geworden en was niet geinteresseerd in Vincent. Hij hield vol, maar het antwoord van kee was "Nee, nee, nooit". Deze woorden bleven Vincent zijn hele leven achtervolgen. In de herfst van 1881 wilde Vincent zijn liefde voor Kee aan haar vader bewijzen. Hij hield zijn hand boven de vlam van een olielamp. Hij raakte niet gewond.


Johannes Stricker, Vincents oom van moeders kant. Vincent werd verliefd op Strickers dochter Kee. De liefde werd niet beantwoord.


Schout bij nacht Johannes (Jan) van Gogh, oom van Vincent. Na zijn Dordtse periode ging Vincent naar Amsterdam en werd in huis genomen door deze oom. Op een zolderkamertje probeerde hij Latijn en Grieks te studeren.


Grootvader Vincent van Gogh (11 feb 1789 - 7 mei 1874) Er is weinig bekend van de relatie tussen Vincent en zijn grootvader. Hij vond hem waarschijnlijk niet aardig en koud.


Cornelius van Gogh (17 mei 1867 - 24 april 1900), jongste broer van Vincent. Hij stierf jong. Na het mislukken van zijn huwelijk ging hij naar Johannesburg en diende in het Boerenleger in de Boerenoorlog. Officieel sneuvelde hij, maar er zijn onbevestigde bronnen dat hij zelfmoord heeft gepleegd.


Margot Begemann (17 maart 1841 - 11 feb 1907). In januari 1884 keerde Vincent naar Nuenen terug omdat zijn moeder gewond was geraakt aan haar been. In die tijd ontmoette Vincent het buurmeisje Margot Begemann. Vincent en Margot raakten bevrioend en maakten samen lange wandelingen. Margot was de enige vrouw in Vincents leven die werkelijk van hem hield. Haar liefde bleef onbeantwoord. Daardoor probeerde zij zelfmoord te plegen door vergif in te nemen. Zij overleefde de poging. Haar droom om ooit met Vincent te trouwen is nooit uitgekomen.


Jo van Gogh-Bonger (1862 - 1925). De wereld mag Jo van Gogh-Bonger, de vrouw van Vincents broer Theo) dankbaar zijn. Zij was een groot bewonderaarster Vincent's werk in zijn laatste jaren. Na Theo's dood probeerde zijn onvermoeibaar meer eer voor Vincents werk te vinden. Zij ordende de correspondentie tussen Vincent en Theo. Daardoor hebben we vandaag de dag een inzicht in Vincents leven. Zij porbeerde het werk van Vincent bij elkaar te houden, ook toen er al kapitalen voor werd geboden. Dankzij deze inspanningen kon in 1962 de Van Gogh Foundation worden gesticht en later het Van Gogh Museum in Amsterdam. Jo van Gogh-Bonger geloofde in Vincent en zijn werk toen weinig anderen dat deden.


Wilhelmina Jacoba van Gogh (1862 - 1941). Van zijn drie zusters stond zij het dichtst bij Vincent. Tijdens de laatste jaren van zijn leven schreef hij haar veel brieven. Niet zo frequent en uitgebreid als aan zijn broer Theo. Toch geeft een aantal brieven interessante details over zijn leven.
Wil deelde ook Vincents geestelijke problemen. Een paar jaar na de dood van Vincent en Theo werd zij opgenomen. De laatste tien jaar van haar leven sprak zij geen woord meer.


Vincents en Theo's graf in Auvers-sur-Oise, Frankrijk: zij aan zij. Theo van Gogh, die minder dan een jaar na Vincent overleed, werd eerst begraven in utrecht. In 1914 liet zijn weduwe Jo het graf verplaatsen naar Auvers, naast dat van Vincent.


bron: Van Gogh Gallery



[ Deze pagina is onderdeel van DORDT.NL ] [ © Copyright Jaap Bouman/DORDT.NL ]

DORDT.NL